€ 17,-
Boudewijn Donker Curtius was een bekend jurist en politicus in de Bataafs-Franse tijd. Hij begon zijn loopbaan als advocaat te Den Bosch, maar zou uiteindelijk in de landelijke politiek en de rechtspraak terechtkomen. Boudewijn Donker Curtius had verscheidene beroemde zonen, waarvan de liberale voorman en minister Dirk Donker Curtius de bekendste is. In zijn hier uitgegeven autobiografie schrijft Boudewijn met humor en veel gevoel voor het detail over zijn jeugdjaren in Helmond en zijn kostschooljaren in Den Bosch. Zijn verslag over zijn studententijd in Leiden is een unieke beschrijving van het reilen en zeilen van de Academie, de hoogleraren en de colleges. Dat geldt ook voor de patriottentijd in Den Bosch, de verovering van die stad door de Fransen in 1794, de landspolitiek, zijn ervaring als hoogste rechter met Lodewijk Napoleon, Lebrun, de Franse prefecten en de regering in Parijs tijdens de Franse inlijving.
'Over zijn veelbewogen leven heeft Donker Curtius een boeiend verhaal nagelaten, dat hij de wat weemoedige titel "Afscheid van de Weereld" gaf, maar dat een uiterst leesbare autobiografie is. Hij schrijft met veel humor en gevoel voor detail en gunt de lezer zo een uniek kijkje in de tijd rond 1800.' In: Nationaal Archief Magazine 2010/1, p. 3; ‘[…] verzorgd door Maarten van Boven, bij uitstek deskundig wat betreft de Bataafs-Franse tijd en de rechterlijke en bestuurlijke organisatie in dat tijdvak. […] Bij egodocumenten als het onderhavige ligt altijd het gevaar op de loer, dat de gang van zaken zeer eenzijdig wordt belicht, namelijk voornamelijk, of zelfs enkel en alleen, vanuit de positie van degene van wie het document afkomstig is. Dat de lezers een dergelijke eenzijdige belichting in het geval van Donker Curtius bespaard blijft, is te danken aan Van Boven. In zijn inleiding en aantekeningen plaatste deze daar waar nodig een kritische noot, zij het met de nodige voorzichtigheid om geen afbreuk te doen aan het bronnenmateriaal.’ Erik-Jan Broers in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 28 (2011) p. 222-223; ‘De waarde van de autobiografie lijkt mij echter vooral gelegen in de zeer persoonlijke beschrijving van zijn jeugd in Helmond, zijn kostschooltijd in Den Bosch en zeker zijn studietijd in Leiden, alsmede zijn persoonlijke terugblik op zijn leven. De auteur komt de lezer daarbij zeer nabij. De autobiografie is met grote zorg en kennis van zaken uitgegeven, zodat men het egodocument in de tijd kan plaatsen en de onvolledigheid en subjectiviteit ervan kan onderkennen.’ In: Geschiedenis Magazine 45 (2010) 7, p. 61. Verder gesignaleerd in: Historisch Nieuwsblad 19 (2010) 3 en Genealogie 16 (2010) 2, p. 70.