€ 20,60
Geleerden hebben zich al eeuwen over pedagogische problemen gebogen, maar zijn er pas begin twintigste eeuw in geslaagd deze bezigheid als een academisch specialisme te vestigen. Pedagogen hebben op drie manier geprofiteerd van de omwenteling in het denken over psychologische en sociologische problemen. De sinds Darwin toegenomen belangstelling voor verandering en ontwikkeling leidde tot aandacht voor het individuele proces van volwassen worden. Het toenemend besef van de rol van irrationele factoren in het sociale en vooral psychische leven leidde tot een opvallende belangstelling voor twee soorten mensen: primitieve volken en kinderen, vaak in een adem genoemd. Daar kwam nog bij een diepgewortelde overtuiging dat de samenleving steeds complexer en daarmee moeilijker te begrijpen werd. De vraag hoe daarover nog kennis mogelijk is, heeft de aandacht voor leerprocessen verhoogd. De ommekeer in de menswetenschappen in de jaren 1890-1930 was verweven met de tendens tot toenemende sociale en economische interdependentie en de neergang van het klassieke liberalisme. Tegen deze achtergronden beschrijft Mulder de werkzaamheden van de pioniers van de academische pedagogiek - J.H. Gunning Wzn., Ph.A. Kohnstamm, R. Casimir, J.H.E.J. Hoogveld en J. Waterink - en daarmee de ontwikkeling en professionalisering van dit vakgebied in de periode 1900-1940.