€ 39,-
De periode 1813 tot 1855 wordt vaak getypeerd als een wat bedaarde tijd, met als belangrijkste gebeurtenissen de Belgische Opstand en het feit dat Nederland een Grondwet kreeg. Minder bekend is, dat de overheid zich destijds intens bemoeide met kerk en religie en zelfs op tamelijk grote schaal strafprocessen tegen 'andersgelovigen' liet plaatsvinden. Emo Bos beschrijft de achterliggende motieven en laat zien hoe de godsdienstvrijheid juist door de voortdurende botsing van soevereiniteit en religie gestalte kreeg. Godsdienstvrijheid veranderde van een gunst in een recht. Hoewel de aandacht vooral uitgaat naar het functioneren van de overheidsorganen, de wetgeving en de strafrechtspraak, worden de hoofdrolspelers niet vergeten. Uit het vergelijkende slothoofdstuk blijkt, dat Nederland in deze periode niet tot de meest verdraagzame landen van Europa behoorde. Deze studie vergroot niet alleen het zicht op de beschreven periode, maar kan ook bijdragen aan een beter beeld van de wortels van thans gangbare opvattingen over godsdienstvrijheid.
Terwijl het zelfbeeld van de Nederlandse autoriteiten zeer positief was en Nederland de zetel van de godsdienstvrijheid in Europa werd genoemd, komt promovendus Emo Bos met een ontnuchterende conclusie.' Piet H. de Jong in: Nederlands Dagblad 15-04-2009; 'Bos heeft een indrukwekkend gedetailleerde studie geschreven. Zijn tekst balanceert mooi tussen de verscheidene politieke, juridische en religieuze disputen en weet op overtuigende wijze de destijds gevoerde discussies te reconstrueren. De werkzaamheden van de grondwetscommissies van 1814,1815 en 1848 worden nauwgezet en chronologisch verwoord, zodat bepaalde delen van de tekst zich ook als een geschiedenis van de eerste Nederlandse grondwetten laten lezen.' Michel Ketelaars in: Recensiebank Historisch Huis.nl. Zie ook het interview in: Reformatorisch Dagblad 15-04-2009 en de uitgebreide bespreking in: Friesch Dagblad 01-08-2009. Verder gesignaleerd in: Trouw 08-04-2009, VolZin 8 (2009) 11.