€ 32,50
In 1797 werd M. Siegenbeek aan de Leidse universiteit benoemd tot 'Professor eloquentiae Hollandicae extraordinarius'. Hij was de eerste die een afzonderlijke leerstoel ging bezetten in de neerlandistiek. Naast studenten theologie kwamen ook juristen en belangstellende in de letteren naar zijn colleges. Bestudering van de moedertaal werd door de curatoren gezien als een goed middel om het nationale gevoel te versterken. De basis van Siegenbeeks onderwijs was de rhetorica. Pas in 1815 werden er ook in Groningen (Lulofs) en Utrecht (Simons) hoogleraren aangesteld in de 'Hollandsche letterkunde en welsprekendheid'. George Vis schetst de vroege ontwikkeling van de universitaire neerlandistiek. Het belang van de voorlopers is niet in de eerste plaats gelegen in hun methode van onderzoek, maar aan hun deelname aan het literaire circuit dat mede was geïnspireerd door vaderlandsliefde. Zij trokken de lijn door van het acttiende-eeuwse verlichtingsdenken waarin men aandacht voor gevoel en verbeelding combineerde met propaganda voor het aanleren en rationeel beheersen van beproefde literaire technieken en voor de vorming van oordeel en smaak. De literaire ideeënwereld van de eerste 'professionele' nererlandici, de 'Oude school', stond soms haaks op die van de universiteit waar de letterenfacultieti nog sterk werd gedomineerd door de studie van de klassieken en door de traditionele rhetorica.