€ 12,50
Dit boek is uitverkocht.Op 18 november 1852 schreef Meindert Noome Jr. vanuit Zuid-Afrika aan dominee Heldring 'hoe moeijelijk het is om hulp te krijgen; men krijge soms eenen Kaffer of Hottentot voor f1,20 op eenen dag, en dan moeten zij drie of vier keeren een bierglas met wijn of brandewijn hebben. Nu zijn zij aan een stuk werk begonnen, men vraagt of verzoekt hun om toch den volgende morgen weder te komen; doch men ziet hen nimmer weder, men kan zijne grond bijna niet bewerkt krijgen... Met de meiden is het hetzelfde.' Hij stelde de dominee voor om arme ambachtslieden uit Nederland naar de Kaap te sturen. De dominee, die de brief af liet drukken in het maandblad De Vereeniging, pleitte in zijn commentaar voor het uitzenden van arme (wees)kinderen. Het idee sloeg aan en tussen 1856 en 1860 werden er circa 365 kinderen door hun ouders via deze 'Commissie ter overzending van jonge lieden als dienstboden naar de Kaap de Goede Hoop' naar Zuid-Afrika gestuurd. Hoewel economische belangen het idee van uitzending deden ontstaan, speelden andere motieven en opvattingen een belangrijke rol bij de daadwerkelijke uitvoering van het plan: filantropische (het bieden van een nieuwe toekomst aan armen), nationalistische (versterking van het Nederlandse element in Zuid-Afrika) en pedagogische (de kinderen kregen een 'opleiding' waarmee ze de kans op werk na hun diensttijd konden vergroten; hun Afrikaanse dienstheren moesten zorgen voor godsdienstlessen en geregeld kerkbezoek). De combinatie van factoren zorgde ervoor, dat zowel de aardse als de eeuwige belangen van het kind gegarandeerd werden. Juist deze garantie gaf alle betrokkenen een edel motief om aan deze uitzonderlijke vorm van emigratie mee te werken.