€ 26,-
Dit boek is uitverkocht.De oudste loge die onder het gezag van een Nederlandse Grootmeester in Azië gesticht werd, was de loge 'Salomon' in de Bengaalse plaats Tandalga. De oprichter was de scheepskapitein Jacobus Larwood van Scheevikhaven, die bij de Nederlandse strijdmacht hoorde die in 1759 vanuit Batavia werd uitgezonden om de bezittingen van de VOC te verdedigen. Hoewel de loge in Batavia slechts een kortstondig bestaan kende, kon spoedig een meer duurzame grondslag worden gelegd met de oprichting van de loges 'La Fidèle Sincérité' en 'La Vertueuse' (1767-1769). In zijn boek beschrijft Stevens, op basis van gedenkboeken, tijdschriften, enquêtes en interviews, de twee eeuwen maçonnieke geschiedenis onder de tropenzon. Zijn leidraad is de intrigerende vraag: wat is er in de loop van tweehonderd jaar gebeurd met de ideeën van de Vrijmetselarij - een produkt van de Westeuropese Verlichting - binnen de context van het Nederlandse koloniale bestel in Indië. Hoe en in welke mate heeft het maçonnieke gedachtengoed onder Indonesiërs ingang gevonden. De 'Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden' is een vereniging van uitsluitend mannen, die zich op de grondslag van een aantal vaste, door traditie gevormde beginselen verenigd hebben. De plaatselijke afdelingen, loges, beschikken over een grote mate van zelfstandig- heid. Voor de vrijmetselaar staat het streven naar zelfkennis voorop. Vanuitdeze zelfkennis dient de eigen verantwoordelijkheid ontwikkeld te worden en het inzicht dat de mens niet voor zichzelf alleen leeft, maar dient bij te dragen aan het geluk van de mensheid. De Indische Vrijmetselarij richtte zich aanvankelijk op het lenigen van directe nood onder de Indo-Europese bevolking. In de tweede helft van de 19e eeuw werden instellingen op gebied van onderwijs, vorming en ontwikkeling gesticht. De bloeiperiode van de Vrijmetselarij (1890-1930) viel samen met de expansie van de koloniale staat. De 'Provinciale Grootloge van Nederlandsch-Indië' en het in 1895 opgerichte Indisch Maçonniek Tijdschrift brachten een grotere saamhorigheid van loges en leden. Begin 20e eeuw werd binnen de loges veel gesproken over het lidmaatschap van Indonesiërs en de houding die de Nederlandse vrijmetselaren moesten innemen tegenover de Indonesische bevolking en het nationalisme. Na 1930 ging het bergafwaarts met de Vrijmetselarij. Na de oorlog was er nog een korte opleving, maar enkele jaren nadat de eerste eigen Indonesische loges ontstonden, moesten alle werkzaamheden worden beëindigd.