€ 15,-
Dit boek is uitverkocht.Grote kunstenaars waren vroeger vaak goede ondernemers. Aan de hand van een zevental voorbeelden uit de periode 1400-1800 wordt door de kunsthistoricus Paul Huys Janssen uit de doeken gedaan onder welke omstandigheden kunstwerken tot stand kwamen en aan welke voorwaarden ze moesten voldoen, wilden ze verkocht worden. De dom van Milaan is in de middeleeuwen nooit afgekomen, omdat de politiek er tussen kwam. Er was zo'n vraag naar altaarstukken uit Antwerpen en tapijten uit Oudenaarde, dat men tot massafabricage en arbeidsdeling overging en er een nieuwe vorm van kunsthandel werd ontwikkeld om nog sneller aan klanten te kunnen leveren. Wie aan het hof van keizer Rudolf II werkte of van wie werk in zijn verzameling was opgenomen, had een streepje voor in heel Europa. Rubens en Rembrandt waren elk in hun eigen tijd heel beroemd, maar Rubens was wel een betere zakenman. Neurenberg en Augsburg waren concurrenten op het gebied van edelsmeedkunst, maar omdat men in Neurenberg niet mocht leveren aan katholieke klanten verloor Neurenberg zijn marktpositie en dook Augsburg in dit gat. In de achttiende eeuw wist Josiah Wedgwood door een radicale herinrichting van zijn keramische fabriek en met geheel nieuwe marketing- en verkoopmethoden van het product Wedgwood een succes te maken. In de negentiende eeuw ontstond het type van het scheppend genie dat zich alleen met kunst bezig houdt en zich bewust buiten de maatschappij plaatst. In de kunsthistorische literatuur werd dit beeld overgenomen en bovendien teruggeprojecteerd op alle voorgaande perioden en kunstenaars. Dit boek laat echter zien, dat in het kunstbedrijf in de periode 1400-1800 de wetten van vraag en aanbod maatgevend waren.